THERAPIE ….. verhalen die ik in de loop der jaren heb geschreven over de verschillende therapieën die ik volgde. Die therapieën deed ik allemaal zo rond 1990.

Een kleine inleiding.
Zo rond 1990 raakte ik de draad een beetje kwijt in het leven. Dat heb ik toen geprobeerd aan te pakken door een aantal verschillende therapieën te volgen. De ene sloeg meer aan dan de andere en, hoewel zoiets toch een aantal jaren in beslag neemt, heb ik met al die verschillende richtingen die die diverse therapievormen je opsturen de voor mij prettigste weg toch wel weer gevonden. Over die therapieavonturen heb ik in de loop der jaren, tijdens én ná het volgen van de therapieën, diverse verhalen geschreven die ik in dit blog verzameld heb.


Rond 2020 geschreven.

Midlife…. Time for therapy!  Terugblik

Tot je 40ste levensjaar heb je ruim de tijd om allerlei frustraties en onverwerktheden op te doen. Het begint natuurlijk al tijdens de tijd bij je ouders. Hoe prettig en harmonieus die tijd ook geweest is, er is aan alle kanten ruimte om van alles op te lopen. Je ontkomt er niet aan. Is het niet wat betreft je niet tot z’n recht komende talenten, of het feit dat je de jongste, oudste of de middelste bent of…nog erger.. enig kind, of je niet geaccepteerde identiteit, en wat te zeggen van een dominante moeder! Vele, vele oorzaken zijn er te bedenken! School en studie… ook een bron van besmetting, pesterijen, buitengesloten worden, niet  aan te hoog gegrepen verwachtingen kunnen voldoen, verkeerd gekozen opleidingen, docenten die je helemaal niet begrijpen!  En dan je werk! Daar wordt je sowieso nooit begrepen en geknecht! Eigen inbreng? Nee, nee, wij hebben een prachtig stappenplan bedacht….  uitvoeren graag! De ene na de andere reorganisatie trekt aan je voorbij. Een training hier, een bijscholing daar, je ondergaat het allemaal zonder morren, maar de frustraties stapelen zich op!
En…. in die jaren krijg je bovendien ruimschoots te maken met:…. de relatie, de vriendschap en alles wat daarin aan de orde komt. De ene wil de andere, maar de andere wil die ene niet! Blijf ik over en ben ik straks helemaal alleen op de wereld? Waarom ben ik niet wat aantrekkelijker? Allemaal zaken die de angst en onzekerheid tot grote hoogte opstuwen!
Tja en dan wordt je dan toch eindelijk 40! Of 41 of 43. In ieder geval…. Je komt in je midlife jaren! Héél langzaam wordt alles je te veel. Je werk? Je kunt er wel van braken! Je moeder? Je kunt niet meer door één deur! Je liefdesleven? Ligt helemaal aan diggelen! Daar moet iets aan gedaan worden! En dan… aan de einder doemt de therapie op!
Als ik even voor mijzelf spreek, het therapiegebeuren is begonnen op het werk. Er werd mij een supervisiesessie aangeboden want het raderwerk van leiding geven aan een groep en meebuigen met je meerderen begon aardig stroef te worden en vast te lopen. Supervisie dus. En ik kan niet anders zeggen, naar groot genoegen. Opeens werd ik op een manier met mezelf geconfronteerd, die duidelijk heeft bijgedragen aan meer zicht op mezelf. Eenmaal daarmee bezig kreeg ik enorme behoefte ook eens te gaan kijken naar zaken die niet direct met het werk te maken hadden. Zoals, ze kwamen al even voorbij, mijn moeder, mijn identiteit, mijn relaties enz. enz. Vele vormen en soorten van therapie zijn in die jaren de revue gepasseerd. Ik zou eerlijk gezegd al die namen niet meer allemaal uit mijn geheugen naar boven kunnen halen. Maar er was bij: gestalttherapie,  psychosynthese en nog een aantal waar ik me helemaal geen naam meer van herinner. Maar…. zo rond mijn 45e jaar was ik wel zo ongeveer uitgetherapied. En… ik moet zeggen, ik heb er veel van meegenomen! In die tijd had ik een paar vriendinnen die in dezelfde fase verkeerden  (overigens heb ik die vriendinnen nog) en ik moet zeggen, dat schept een band. Ik heb ook wel gezamenlijke therapieën gedaan. Een heel weekend samen naar een therapie. Wij ervoeren het als een uitje! In die tijd ook heel veel rondom de therapieën gelezen. En op een zekere dag was het genoeg. Als ik terugkijk op die tijd vind ik dat ik kan terugkijken op een therapietijd, die me veel heeft opgeleverd. Niet dat ik ná die tijd aan één stuk door 100% gelukkig ben. Spaar me…. Dat lijkt me erg vermoeiend! Maar volgens mij hebben al die verschillende inzichten mij wel een helderder beeld op mezelf verschaft. Natuurlijk.. je blijft ten alle tijden jezelf, wat kan inhouden dat je opvliegend, wel eens snauwerig, onredelijk of andere vreselijke dingen kunt zijn. Maar het simpele feit dat je zo nu en dan eens achterover kunt leunen om bij jezelf stil te staan is een verademing en kan de zaken weer een beetje oliën, als het geheel weer vast dreigt te lopen.
Ik zou er nu niet meer aan moeten denken, aan al dat geleuter over mezelf. Er gelden nu duidelijk andere prioriteiten! Maar… terugkijkend: therapie…. Géén verspilde moeite!

De therapie tijd is al lang geleden, zelfs al zo’n 30 jaar geleden. Maar ik denk er zo nu en dan aan terug, heb verhalen gevonden die ik in die tijd geschreven heb en wil er op mijn website….. een blog over schrijven.
Dus….. aan de slag


VIJF JAREN, EEN ONTWIKKELINGSVERHAAL.

4 mei 2013 zette ik dit gedicht van Gerrit Komrij op mijn facebook pagina. 

DE DEMON.

Het is een sport om met gestrekte vinger
Te wijzen naar de goeden en de kwaden.
Ik houd het liever bij de binnendringer
Die in mij zelf verlangt naar euveldaden.

Twee zielen huizen in ons en ze heten
Ons meestal-kwade en soms-betere ik.
Ik hoor ze altijd. In mij woedt hun vete.
Straks klopt de demon weer. Vrees ik zijn tik?

De vrede om ons is maar schijn van vrede.
Ons eerste ik voert oorlog met ons tweede,
Ik word zó weer de ander die ik ben.

Zolang ik mijn gehate ik maar kén
En in de gaten houd ben ik niet bang.
Elk uur van lauwheid is een uur te lang.

Gerrit Komrij.

Dit gedicht deed mij sterk terugdenken aan een periode in mijn leven in de negentiger jaren.
Ik heb daarover enige verhalen geschreven.
Dit is er één van.
Ik heb het geschreven in 1996. Vijf jaren nadat het therapie tijdperk afsloot.

VIJF JAREN, EEN ONTWIKKELINGSVERHAAL.

De laatste vijf jaar zijn er bij mij van binnen een aantal zaken drastisch veranderd. Twee dingen zijn er gebeurd: aan de ene kant zijn er dingen afgenomen; aan de andere kant zijn er dingen toegenomen.

Afgenomen is: de angst en de neiging tot absoluutheden. Toegenomen is: inzicht.

Dat klinkt gemakkelijk, maar dat is het niet. In dit ontwikkelingsverhaal vertel ik over deze twee zaken. Over het begin(de val)….het middenstuk(het bijkomen van de klap)….en de plek, die nu bereikt is(het huis met vele kamers). Kortom over het proces van de laatste jaren.

De val.

De negentiger jaren beginnen. Ik loop al enkele jaren rond met een onbestemd idee van gevangen zitten in mezelf.  Tegen een van de eerste therapeuten, die ik bezoek schets ik het beeld van een cilinder, die om me heen zit. Als ik moeite doe, kan ik er net overheen kijken. Echt contact maken met zo’n koker om je heen, dat gaat eigenlijk niet. Aan het leven neem ik eigenlijk niet direkt deel. Naar mijn vaste overtuiging zit ik op een bepaalde manier in elkaar, daar verander je helaas niets aan. Het merkwaardige idee zit in mijn hoofd, dat ik zelf eigenlijk geen invloed heb op de keuzes die ik maak. Naar mijn vaste overtuiging staat een mens aan een bepaalde kant, of wel de goede, ofwel de slechte. Daar moet je het mee doen.  Ik had het geluk dat ik aan de goede kant stond, dacht ik.

Vreemd genoeg had ik toch wel last van vage, ongrijpbare angsten. Zoú ik wel aan de goede kant staan?

Toen kreeg ik een vriendin. Heleen heette ze. Dat begon hevig. Maar het deed ook pijn van binnen. Ze wist allemaal zo precies wat er mis was met me. Waar ze me, in mijn beleving, echt op aanviel was op mijn ‘klasse’. Dat bleek bij mij van binnen een zwak punt te zijn. Daar ging ik behoorlijk op onderuit. Verder was ik ‘kwetsbaar’, had mij nog lang niet voldoende ingelaten met therapeuten , maar..zij zag, diep binnen in mij een enorme kracht, die ik moest gaan benutten. Ik raakte echt in de war, door deze relatie. In september 1990 begonnen zich in mij een heleboel grote angsten te ontwikkelen. Ik denk dat alles in mij klaar was voor een val. Een val, waarbij al mijn zekerheden mee de diepte in gingen. In november 1990 meldde ik mij ziek van mijn werk. Die afwezigheid zou 8 maanden duren.

In januari 1991 begon de golfoorlog. Een aantal weken kon ik niet loskomen van de televisie en van de beelden, die naar aanleiding van die oorlog werden uitgezonden. Daarna heb ik maanden in een hoek van de bank gezeten . Ik had het idee, dat ik voorgoed in een zwarte tunnel terecht was gekomen. Die zwarte tunnel bestond uit steeds groter worden angsten en die angsten hadden vooral te maken met het idee dat ik niet meer bij de ‘goeden’ hoorde. Ik was opeens veranderd in een ‘slechterik’. In het begin wist ik nog vrij nauwkeurig voor mezelf uit te maken hoe een slechterik in elkaar zat:

het had allemaal vooral te maken met racisme, fascisme en uitbuiting.

Wat een angsten leverde dat op! In die tijd begon ik bang voor mezelf te worden. Ik was bang voor de dingen, die ik in de naaste toekomst zou gaan doen.

Toch begon in die tijd héél diep binnen in me een besef te ontwaken, dat een mens niet óf helemaal goed is óf helemaal slecht.

Een zwarte tunnel met heel in de verte een lichtpuntje.      

Een zwarte tunnel met heel in de verte

In die tunnel werd dus toch héél in de verte een lichtpuntje zichtbaar. Ik begon mijzelf te zien in cycli, in tegenstellingen, in verlangens. Langzaam begon het besef te groeien dat ik echt zelf verantwoordelijk was voor de keuzes, die ik maakte. Dat ik een compleet mens was. Een mens met alle mogelijkheden in zich. Mogelijkheden, die wel beinvloed worden door allerlei zaken, zoals bijvoorbeeld een menstruatiecyclus, een levensfase waarin je verkeert, de leeftijd die je op dat moment hebt,je instincten, de destructiviteit die je in je binnenste voelt (de zwartigheid) en nog diverse andere dingen.

Maar het besef begon te groeien dat, ondanks al die factoren, het mogelijk was om door je bewust te zijn van die dingen zelf een greep op je leven te hebben. En dat leverde dat lichtpuntje op. Overigens in de loop van die tijd en nu ook nog angsten en onzekerheden. Kan ik dat wel, kiezen? Wordt ik misschien uiteindelijk toch nog de diepte ingetrokken door mijn eigen destructiviteit?

Door het besef van: Ik ben een compleet mens, ik heb alle mogelijkheden in me begon er zich óók een groot gevoel van onzekerheid in mij te ontwikkelen. Op welke gronden moest je je keuzes te maken. Waar haalde ik de kennis vandaan van wat goed was en wat slecht. Ik was er dus toch nog steeds van overtuigd, dat er universele richtlijnen voor het ‘goed’ en het ‘kwaad ‘ in de wereld waren.

Ook waarheid was zo’n begrip, waar ik langdurig hevig mee in de weer ben geweest. Ook daarbij had ik toch altijd wel het idee gehad, dat daar min of meer universele normen voor waren.

Goed, dan geen universele waarheid, maar dan zou er toch minstens een individuele waarheid moeten zijn.

En zo begonnen alle absoluutheden, die zich in de loop der jaren in mij hadden ontwikkeld steeds meer terrein te verliezen.

Dat heeft, op weg naar dat lichtpuntje in de tunnel zo nu en dan een groot gevoel van verlies gegeven.

Als ik die zekerheden niet meer heb, dan ben ik verloren, was mijn gedachte. En zo bleef ik toch nog een hele tijd op zoek naar andere absoluutheden.

Een warrige tijd was het.

Ondertussen gebeurde er van alles in mijn leven. Ik kreeg opnieuw een vriendin: Francien. Daarmee veranderde er een heleboel. De chaos in mijn kop was groot. De chaos daarbuiten óók.

Wij wilden met elkaar door gaan; wij wilden al snel gaan samenwonen. En al die omstandigheden maakten de chaos in mijn kop niet minder.

Maar, onder al die chaos, van binnen en van buiten, zat er toch ergens, misschien wel in mijn hart, een zekerheid over Francien en over mijzelf, die maakte, dat ik op dat gebied een spoor kon volgen. Daardoor konden we met elkaar door, daardoor konden we gaan samenwonen.

Na ruim 1½ jaar was het al zover. Wij gingen in een mooi nieuw huis wonen.

Toen kwamen er dus twee dingen samen: gaan samenwonen met elkaar vergt een proces van wennen aan elkaar, van accepteren van elkaar, van het vinden van een manier om ‘samen alleen, alleen met z’n tweeën’ (het motto van ons samenwonen) zo goed mogelijk vorm te geven en het voortzetten van de weg door de zwarte tunnel met heel in de verte het lichte puntje.

Die tunnel moest ik nog door; die weg was ik begonnen en ik moest er op doorlopen.

Het lichtpuntje kwam wél steeds dichterbij. Dat gaf moed om door te gaan.

Wat ook moed gaf om door te gaan was dat Francien mij zoveel ruimte gaf om door die tunnel te gaan. Ook zij ging voor het eerst met mij samenwonen! Buiten dat spoor van die ‘zwarte tunnel’ was dat al moeilijk genoeg.

Nu wonen we ruim 1½ jaar samen.

Het samenwonen krijgt een steeds grotere vanzelfsprekendheid. De lange zwarte tunnel ben ik uit. Ik ben terechtgekomen op een weg, die soms door prachtige bossen loopt, soms over hele hoge bergen of door zeer diepe dalen kronkelt, soms door een klein inktzwarte tunneltje slingert. Een weg, die heel veel verschillende landschappen doorkruist. Al die landschappen roepen hun eigen emoties en moeilijkheden op.

Lopen over zo’n weg maakt dat ik altijd bezig ben. Ik moet genieten van al die verschillende landschappen; ik moet oplossingen verzinnen voor al die moeilijkheden.

Ik doe dat nu zonder koker om me heen en dat voelt een heel stuk vrijer.

En nu verder…?!

Ja nu verder.

Ik loop natuurlijk door op die weg. Ik ga natuurlijk door met om me heen kijken. Ik ga natuurlijk door met naar mezelf te kijken. Ik ga natuurlijk door met onderzoeken welke kanten er aan het leven zitten.

Wat is het een winst om te kunnen ervaren dát er zoveel kanten zijn.

Die ervaring maakt wel dat ik nogal eens het gevoel heb dat ik aan het zweven ben. Een gevoel dat ik al die kanten op kan gaan.  Dat het niets uitmaakt.

Dat vind ik wel. Het máákt iets uit. Uiteindelijk kan je heel goed die kant uitzoeken, die het best bij je past. Die past bij je eigen wortels, bij je eigen belangen, bij je eigen omstandigheden.

Voorlopig kan ik het daar wel mee doen. Lekker zoeken naar die kant. Ondertussen al die andere kanten bekijken.

Eigenlijk denk ik dat dat het is voor de rest van mijn leven. Zoeken naar die kant van en voor mezelf en alle andere kanten blijven onderzoeken. Alleen én samen. Samen met Francien. En samen met andere mensen.

Voorlopig houd ik het daarop.

Een verhaaltje dat ik schreef voor een schrijfcursus die ik bij ‘Editio’ volgde met als thema: Het schrijven van Levensverhalen.

Geschreven in 2014

Opdracht levensverhaal 11. Beschrijf een levensfase.

42 jaar. De overgang naar een nieuwe levensfase.

Zo rond mijn 42ste jaar had ik een vriendin. Hevig verliefd was ik enige tijd op haar.
Erg kritisch was ze, heel erg kritisch. Ze leek óók wel verliefd, maar kon het niet laten mij in allerlei bewoordingen duidelijk te maken wat er zoal niet aan mij deugde. Dat was niet leuk…. ik werd er nogal klein van. Niet fysiek klein, wel mentaal klein.  Mijn eigenwaarde schrompelde ineen tot een klein balletje. Voelde me er niet echt gelukkig bij.
Na een half jaar zette ik een punt achter deze relatie, zij ook trouwens. Als ik er nu weer aan terugdenk weet ik eigenlijk niet meer wie de eerste stap zette om een eind aan die liefde te maken.
Ongelukkig voelde ik me en ook wel verdrietig. Op haar aanraden was ik met een therapie begonnen en die deed me goed.
Niet lang na deze moeizame tijd begon de golfoorlog. Mijn emotionele aderen stonden door de heftige relatie en de therapie helemaal open en het gekke was dat ik juist door die golfoorlog psychisch helemaal onderuit ging. Althans zo voelde het. Ik zat als versteend thuis op een hoekje van de bank en kon de beelden van die oorlog die als een soort constante oorlogsfilm werden uitgezonden niet meer loslaten. Werken kon ik niet meer. De huisarts stelde een depressie vast en dat duurde 8 maanden. Een vreselijke tijd met enge dwanggedachten. Ik volgde nog enige therapieën en na enige maanden kreeg ik van de huisarts medicijnen.
Toen ik weer een heel klein beetje uit het depressie dal kroop leerde ik iemand anders kennen waarmee ik in eerste instantie niet de bedoeling had om een relatie mee te gaan opbouwen Zij wel en alhoewel ik me helemaal nog niet verlost voelde van de depressie die zo’n grote wissel op me getrokken had zag ik toch een soort tijdpad dat ontrold werd voor mijn ogen. Dit was wat ik wilde en het voelde van binnen dat het zou gaan lukken. Een nieuwe levensfase was ingegaan.


Tussendoor….. een klein muziekje: DIE GEDANKEN SIND FREI.

Die Gedanken sind frei

Tijdens de therapie psychosynthese kreeg ik de opdracht een vijftal verhalen te schrijven.

Die volgen hieronder.

Rond augustus 1990

Vergeven   

Dit verhaal gaat over vergeving. Vooral over vergeving, die met mijn moeder te maken heeft. Het gaat over mijn vergeving naar haar toe. En om vergeving naar mezelf toe.
Wat wil ik in dit verhaal beschrijven? Mijn moeder en ik hebben een soort handelingspatroon ontwikkeld, waarin weinig warmte te bespeuren valt.
Hoe dat komt? Omdat ik Van bepaalde vooronderstellingen uitga wat betreft mijn moeder, denk ik altijd te weten , wat ze over mij denk. Ik denk ook te weten , dat ze bepaalde ideeën over mij heeft. En op grond van die vooronderstellingen en ideeën ben ik niet in staat warmte in die ontmoetingen te leggen. Die vooronderstellingen en ideeën wil ik gaan bekijken en analyseren. Dat is de achtergrond van dit verhaal. Als ik een beetje meer zicht krijg op al die zaken, kan ik misschien wat milder naar mijn moeder kijken en haar vergeven. Bovendien wil ik door meer inzicht ook proberen om mezelf te vergeven. Ik zit vast in die patronen. Door wat milder naar mezelf te kijken kan ik misschien ook mezelf vergeven. Wat valt er eigenlijk te vergeven?
Ik vind dat mijn moeder mij weinig vrijheid heeft gegund tijdens mijn jeugd. Ik vind dat mijn moeder mij niet of nauwelijks heeft voorbereid op een zelfstandig leven. Mijn moeder heeft mij niet het besef bijgebracht dat ik het zelf ben die keuzes maakt in mijn leven. Ik heb op een of andere manier tot voor kort het idee gehad, dat mijn leven zich min of meer buiten mijn eigen verantwoordelijkheid afspeelde. Dat heeft mij aardig wat angst opgeleverd in de loop der jaren. Angst dat ik dingen zou doen waar ik zelf niet achter zou staan. Is het reëel om dit mijn moeder te verwijten? Voor een deel vind ik dat inderdaad reëel. Ouders moeten hun kinderen vertrouwd maken met het idee dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn/haar eigen leven. Natuurlijk ontkomen ze er niet aan om vooral vanuit hun eigen patronen het leven aan hun kinderen voor te leven. Daar is niets verwijtbaars aan. Maar essentieel daarbij vind ik, dat tevens wordt aangegeven, dat er andere manieren zijn om te leven. Dat er andere meningen zijn die aangehangen kunnen worden. Die openheid moet er zijn in een gezin. En net die openheid heb ik gemist bij ons thuis. Op een of andere manier heb ik tot op de dag van vandaag bij mijn moeder het gevoel dat er een grote niet in te halen achterstand bestaat tussen haar en mij. Ze is tenslotte 35 jaar ouder dan ik. 35 jaar, die ik niet zal kunnen inhalen zolang als we beiden leven.’
Ik heb nooit het idee gehad dat ik mijn ontdekkingen mocht doen als kind. En deed ik dat wel dan was er altijd angst voor afkeuring. Dus hield ik alles maar een beetje stil en bedacht alleen in het geheim andere dingen dan zoals mij was verteld.
Dat was een angstig avontuur vond ik. Ik heb het gevoel gehad dat ik op een bedekte, onuitgesproken manier op mijn plaats gehouden werd. Ik heb de warmte en vertrouwdheid gemist, die ik nodig had om mijzelf te kunnen ontdekken.
Ik heb in de loop der tijd steeds meer het idee gekregen, dat ik thuis niet als een volwaardige gesprekspartner gezien werd. Waar ik dat heel duidelijk en heel pijnlijk heb gevoeld is tijdens de ziekte en het overlijden van mijn vader. In die tijd is er met mij nooit over zijn naderende dood gesproken. Niet door hem en niet door mijn moeder. Dat heeft achteraf veel pijn gedaan. Maar dat heeft achteraf ook veel wroeging gegeven. Waarom ben ik zelf niet in staat geweest daar over te praten? Waarom ben ik het zelf uit de weg gegaan? Dat is o.a. waarom ik voel, dat ik ook mezelf moet vergeven. Ikzelf heb ook de moed niet gehad om bepaalde dingen ter sprake te brengen thuis. Op een of andere manier durfde ik zelf niet op een open manier over dingen te praten. Bang om afgewezen te worden. Bang om dan gedwongen te worden of heel duidelijk voor mezelf te moeten kiezen, of voor zoals vooral mijn moeder de dingen zag te moeten kiezen. En die kracht voelde ik niet in mezelf.
Tot voor kort heb ik dit eigenlijk alleen mijn moeder (en in mindere mate mijn vader) verweten. Dat is te eenzijdig. Hierin ben ik zelf ook partij geweest.
Het wordt nu hoog tijd om volwassen te worden. Om uit het patroon van verwijten te stappen. Om zelf altijd verantwoordelijkheid te nemen over hoe ik nu tegen de dingen aan kijk. Om daarbij goed te beseffen dat altijd mijn achtergrond, mijn opvoeding mee zullen blijven spelen in mijn leven van nu. Maar dat ik het zelf ben, die daar nu van maakt wat ik ervan maken wil.
Ik wil daarbij ook heel goed beseffen, dat ik nog steeds heel veel last van die achtergrond en van die opvoeding kan hebben, maar het blijft mijn eigen verantwoordelijkheid hoe ik er nu mee omga.


Oktober 1990

HET VERHAAL VAN DE TWEE MOOIE VROUWEN.

Er waren eens, nog niet zo lang geleden twee vrouwen die ieder hun eigen leven leidden.
Ieder van hen kende het bestaan van de ander niet en ze dachten,dat ze het goed hadden zo.
Op hetzelfde moment dachten ze: dansen, dat is plezier voor twee. De ene vond zich een geboren leidster, de ander, daarentegen zag zichzelf als volgster het hemelrijk van de dans bestormen. Nog steeds niet bewust van elkaars bestaan betraden ze tegelijkertijd de dansvloer. Ieder had zich een eigen danspartner uitgezocht.De leidster was sierlijk en zeer maatbewust. De volgster ook, maar haar partner kon het met de maat niet zo goed vinden en dat gaf die twee reden om met elkaar in de strijd te gaan. Ondertussen kregen die twee: de mooie leidster, die zo goed de maat kon houden en de mooie volgster, die óók zo goed de maat kon houden elkaar in de gaten. De volgster, die onbewust een geheim wapen had, lachtte veel en graag naar de leidster, die zo goed de maat kon houden. Daarbij dacht ze aan een dans die zij tweeën ooit, in de toekomst, samen zouden dansen. Een dans in perfecte harmonie, uitgevoerd op muziek die speciaal voor hen gemaakt leekte zijn.De leidster keek naar de volgster en dacht, wat lacht ze lief en ze danst ook wel aardig en besloot het eens met haar te proberen. Dát ging lekker!
Ze besloten eens te kijken of er niet meer in het leven tegenieten zou zijn dan dansen alleen. Dat bleek het geval. Het leven had allerlei andere mooie dingen voor hen in petto.
Verliefd zijn, hand in hand lopen, delen van elkaars verlangensen wensen, zelfs vrijen bleek een feest!
De leidster bleef in alles een beetje de leidster; de volgster bleef in alles een beetje de volgster. Dat ging goed zo. Totdatde leidster vond dat de volgster ook heel goed leidster zou kunnen zijn en de volgster vond, dat de leidster dan ook volgster zou moeten zijn. Want twee leidsters in één dans, dát kan niet;twee volgsters óók niet.
Wat nu gedaan? Er moest van rol gewisseld worden. De volgster moest leidster worden en dacht, dat ze dat niet kon. Dát had ze toch nooit geleerd! Met haar zou iedere dans een puinhoop worden.
Ze bedacht, dat ze daar eerst een heleboel bijlessen in zou moeten hebben. Een lerares was snel gevonden en zij liet zich voor de rol van leidster alles leren en voelde zich steeds meer thuis in die rol.
De leidster, die volgster moest worden had ook moeite met die verandering. Het leek of zij niet altijd zoveel leidsterscapaciteiten  zag in de volgster, die leidster wilde worden.
Het kostte tijd, pijn, moeite, verdriet, onbegrip ongeduld voordat de twee vrouwen zover waren, dat ze elkaars rol zomaar moeiteloos van elkaar konden overnemen.
Maar toen die tijd, pijn, moeite, verdriet, onbegrip ongeduld zich bijna meester hadden gemaakt van de twee vrouwen brak het moment aan, dat zomaar, zonder enige moeilijkheid de rollen van elkaar werden overgenomen. De leidster, die nu óók volgster kon zijn en de volgster, die nu óók leidster kon zijn namen elkaar in de armen, bekeken elkaar inde spiegel en zeiden: Wat we daar zien zijn twee mooie vrouwen.


Mei 1991

HET ZWART-WITTE AVONTUUR VAN VITA.

Vita leefde een leven zoals veel andere mensen dat ook doen. Opstaan, werken, eten, slapen, zo nu en dan een beetje plezier,zo nu en dan een beetje verdriet, zo nu en dan een beet je angst.
Belangrijk was altijd: van alles een beetje. Niet te veel plezier, niet te veel verdriet, niet te veel angst, Belangrijk was om alles goed in de hand te houden. Niet te diep en niet te veel stilstaan bij hoe alles voelde.
En dat was het leven zoals ze dacht dat het geleefd moest worden. Zó deed het zich aan haar voor en dat was goed. Zó zat ze in elkaar en andere mogelijkheden waren er niet. Ergens diep van binnen voelde ze wel een héél klein beetje dat het misschien toch ook wel anders kon. Zou het bijvoorbeeld kunnen, dat zíj, Vita, zelf, bewust, een richting aan haar leven zou kunnen geven? Deed een klein glimpje van deze mogelijkheid zich aan haar voor, dan was het hevig schrikken geblazen en snel, heel snel overgaan tot de orde van de gewone dag. En het grijze leven ging door, en door, en door.
Tot op een dag…………… Vita lekker op haar favorieteplekje in het gras zat te mijmeren; zeg maar: een klein beetjezat te genieten.
In de verte doemden twee vrouwen op aan de horizon. Eén vrouw was gekleed in een witte jurk, de ander daarentegen was helemaal in het zwart gekleed. De twee vrouwen kwamen samen dichterbij en bleven staan op de plaats waar Vita in het gras zat. “Ik ben de koningin in het wit”, zei de vrouw in het wit, “Mij ken je wel. We hebben elkaar vaak ontmoet en ik vind je wel aardig en jij vind mij ook wel aardig geloof ik. Maar toen ik vandaag jou weer wilde ontmoeten kwam ik háár tegen en ze stond erop om met me mee te gaan om jou te leren kennen”. “Ja, ík ben de koningin in het zwart”, zei de vrouw in het zwart, “Ik heb vaak geprobeerd kennis met jou te maken, Vita, maar, helaas, iedere keer als ik contact met jou wilde, ging je mij uit de weg en koos je het gezelschap van haar, de koningin in het wit. Maar, Vita, zo gaat dat niet langer. Ik wil nu dat je mij leert kennen en dat je accepteert, dat ik er ben”.
Vita schrok nogal. Ja, de vrouw in het wit kende ze wel. Die was aardig, goed gezelschap. Maar die ander….Héél in de verte had ze haar wel eens gezien, maar eigenlijk was ze niet zo gelukkig met haar gezelschap. Heel beleefd zei ze dan ook: “Eigenlijk heb ik vandaag niet zo veel tijd voor deze ontmoeting. Ik moet nog zo veel doen: werken, eten, een beetje plezier maken, een beetverdriet hebben, een beetje angstig zijn Vind u het erg om iemand anders op te zoeken?
Maar de vrouw in het zwart liet zich niet wegsturen. Ze was al zo vaak langs geweest, zei ze. Nu bleef ze, haar besluit stond vast.
Tot overmaat van ramp nam de vrouw in het wit op dat moment afscheid en verdween in de verte. Daar zat Vita. Ze voelde zich niet echt behaaglijk en ze had het koud.
De vrouw in het zwart ging naast Vita in het gras zitten. “Ik ga jou vertellen over waar ik vandaan kom”, waar ik vandaan kom, daar wonen alleen maar vrouwen. Wij kleden ons allemaal in het zwart en hebben allemaal verschillende namen. Een van ons heet bijvoorbeeld Jalouzie. En dan heb je nog: minachting, en: onverdraagzaamheid en nog een heleboel meer. Ikzelf ben de koningin van de vrouwen in het zwart. Het is mijn taak om vrouwen op te zoeken, die denken, dat ze het zonder ons kunnen. Die denken, dat ze de deur dicht kunnen houden voor de vrouwen in het zwart. Die alleen de vrouwen in het wit binnenlaten. Ik zal je uitleggen, waarom wij ook gezien willen worden. Het paleis van de vrouwen in het zwart staat naast het paleis van de vrouwen in het wit. Wij zien de vrouwen in het wit dagelijks de wereld intrekken. Wij zien, dat ze overal met plezier binnengehaald worden. En dat, terwijl iedere vrouw in het wit een zuster heeft, die in het zwart gekleed gaat. En de afspraak is, dat iedere 2 zusters samen zullen werken. Dat is een afspraak, die héél lang geleden, bij het begin van de wereld gemaakt is. Maar al tijden blijkt dat onze zusters in het wit veel meer geliefd zijn dan wij. Wij worden buiten gehouden. En dat, Vita, is niet wat wij willen. Daarom, worden de vrouwen in het zwart opstandig, zij willen óók gezien worden. Dat is de reden dat ik, koningin van de vrouwen in het zwart, nu bij jou op bezoek kom. Om je te vragen de vrouwen in het zwart niet langer buiten te sluiten. Ze welkom te heten, met ze te praten.”
Vita kon niet anders dan naar de vrouw in het zwart luisteren. Maar ze voelde angst. Wat zou er nu gaan gebeuren? Zouden nu al die verschillende vrouwen in het zwart bij haar langs komen? Ze rilde bij de gedachte daaraan. Zouden de vrouwen haar kwaad willen doen? Zou ze nu voortaan met de witte én de zwarte vrouwen in contact moeten gaan? En dan….dan zou ze moeten kiezen. En kiezen dat leek haar het moeilijkste wat er was op de hele wereld. Als ze moest kiezen moest ze zelf weten waarom ze koos voor de ene en niet voor de andere. Vita voelde de paniek en de angst in zich omhoog komen. Toen nam de koningin in het zwart afscheid van haar en Vita was alleen.
Angstig ging ze naar huis. Ze kleedde zich uit en ging naar bed. Steeds meer kwam ze in de greep van de angst. Ze voelde dat haar leven op het punt stond om te veranderen. Zij, Vita, zou voortaanzelf moeten gaan bedenken, wat goed voor haar was. Ze dacht erover na wat dat zou kunnen betekenen. Ze zou moeten gaan bedenken hoe de wereld er voor haar eigenlijk uitzag. Met schrik bedacht ze, dat dat voor haar eigenlijk tot op dat moment niet zo duidelijk was geweest. Ze had altijd maar zo’n beetje gekeken naar wat anderen deden, naar wat anderen zeiden. Daarom had ze ook altijd maar een beetje plezier, een beetje verdriet, een beet je angst gekend. Het voelde meestal alsof het niet haar eigen plezier, haar eigen verdriet „ haar eigen angst was. Maar om je eigen plezier, verdriet en angst te voelen, dan moest je toch wel een eigen wereld hebben, met een eigen inhoud en dát was nu net wat ze niet voelde.
De nacht duurde héél erg lang en was héél erg donker; zonder één klein sterretje en zonder één glimpje maan.
De volgende morgen werd Vita wakker. Tegen de morgen was ze dan toch, eindelijk in slaap gevallen.
Toen ze beneden kwam en het ontbijt voor zichzelf klaarmaakte ging ze bij zichzelf na wat ze deze dag zou kunnen doen. Opeens wist ze het: Ze wilde op zoek gaan naar haar eigen wereld. Ze wilde gaan uitzoeken wat er voor haar belangrijk was in dit leven. Dat werd vast een angstaanjagend avontuur; Ze kon zich daar van alles bij voorstellen en ze ging er dan ook eens uitgebreid voor zitten om zich dat avontuur zo angstaanjagendmogelijk voor te stellen.
Toen ze daarmee bezig was werd er aan de deur geklopt. Voor de deur stonden drie figuren. “Wij gaan met je mee op reis”, riepen ze in koor. Eerst sprong er een klein zwart hondje over de drempel en Vita vond haar meteen hartveroverend. Toen waggelde er een grote bruine beer naar binnen. Zij ging lekker liggen in de gang en Vita nestelde zich tegen haar aan. Dát voelde goed! En tenslotte kwam er een vrouw naar binnen, die als 2 druppels water op Vita leek. Die vrouw zag er-heel stevig en krachtig uit. “Hallo”, zei ze, “Ik ben Sita. Ik zal er altijd zijn, als, jij me nodig hebt. „Als je me roept, dan kom ik. Maar denk erom, Je moet me wel roepen en zeggen wat ik doen moet. Ik kom niet uit mezelf”.
Nu ze deze 3 figuren om zich heen voelde, begon Vita een héél klein beetje zin te krijgen in haar grote ontdekkingstocht.
Op haar zoektocht naar haar eigen wereld nam Vita maar heel weinig mee. Tenslotte moest ze het allemaal zelf dragen in haar rugzak en ze hoopte bovendien, dat ze onderweg een aantal dingen zou verzamelen, waarmee ze haar wereld zou kunnen maken.
Halverwege de dag, de zon stond hoog aan de hemel gingen Vita, het zwarte hondje, de bruine beer en Sita, de vrouw, die als 2 druppels water op Vita leek op weg. Na een uurtje zag Vita boven een prachtig groen weiland een hele grote vlinder hangen. De vlinder was zwart, met grote-witte stippen op haar vleugels. De vlinder hing bewegingloos boven dat weiland en toen…heel langzaam begon ze te zweven in de richting van een dorpje in de verte. Vita, in de ban van de schoonheid van de vlinder liep haar achterna. Op weg naar het dorpje passeerden ze een andere, frisse, groene wei, waar een heleboel bloemen in stonden. Alle bloemen hadden prachtige kleuren en op bijna alle bloemen zaten vlinders in de mooiste-kleuren. Een prachtig schouwspel! Vita bleef de grote vlinder volgen, die heel langzaam in de richting van het dorp zweefde. Daar aangekomen kwamen ze bij het dorpsplein. De vlinder vloog het dorpscafé in. Aan een tafeltje zat een vrouw. Ze had een witte jurk aan en ze dronk koffie. Vita ging bij de vrouw aan tafel zitten en keek haar aan. Het was een hele opluchting voor haar dat deze vrouw, de eerste die ze op haar reis tegenkwam een mooie witte jurk aan had. Maar die opluchting duurde maar even. Plotseling werd de jurk van de vrouw zwart. Vita deinsde terug en wilde weggaan. Net, toen ze opstond werd de jurk weer wit. Het was een verwarrende situatie. Contact maken met de vrouw in het wit wilde Vita maar al te graag, maar de zwarte jurk boezemde haar angst in. Vita vroeg aan de nu weer in het wit geklede vrouw wie zij was. “Mijn naam”, zei de vrouw, is Anna tweepersoonlijkheid. Ik vind het belangrijk om jou te vertellen, Vita, dat je niet bang moet zijn voor alle kanten, die je in je hebt. Op je zoektocht naar je eigen wereld geef ik jouw deze bloes. Je zult zien dat de bloes zich aanpast aan de stemming, waarin je bent. Hij zal je eraan herinneren dat ook jij een vrouw bent met haar witte en haar zwarte kanten”, Vita nam het geschenk aan en bedankte Anna.
Na deze eerste ontmoeting werd het tijd om verder te trekken. Het kleine gezelschap ging weer op stap. Soms moesten ze hoge bergen beklimmen, soms passeerden ze diepe dalen. Vita voelde zich rustig in het gezelschap van haar drie vriendinnen. Ze voelde zich compleet met hen om haar heen. Na een paar uur lopen was het echter of opeens alle rust uit Vita wegstroomde. Onzekerheid en angst namen bezit van haar. Deze zoektocht dat was teveel voor haar. Ze wilde ermee stoppen en weer terugkeren naar huis, Een beetje plezier, een beetje verdriet, een beetje angst, dat was waar zij zich thuis bij voelde en net toen ze ophet punt stond om weer terug te keren naar huis – merkte ze dat Sita verdwenen was. Ze herinnerde zich, wat deze gezegd had en ze riep: “Sita, waar ben je, ik: wil datje komt”. Al snel zag ze Sita in de verte aankomen. Met de komst van Sita keerde de rust weer in haar terug en vol goede moed vervolgde ze haar weg en pakte Sita bij de hand. Ze voelde zich in deze verbondenheid met Sita lekker stevig. Voortaan zou ze haar niet meer laten gaan.
Na een tijdje gelopen te hebben kwam het gezelschap in een bos. Het was er lekker koel en na een klein kwartiertje stuitten ze op een openluchttheater. Op het toneel zag Vita tot haar verbazing mensen, die ze kende van toen ze zelf een kind was. Haar vader en moeder; haar broers en zuster. Allemaal waren ze een dertigtal jaren jonger dan ze nu waren. Ook zichzelf zag Vita tussen dit gezelschap. Ademloos keek ze naar wat er op het toneel gebeurde.
De kleine Vita op het toneel was een verlegen en teruggetrokken meisje. De mensen om haar heen hadden het hoogste woord. Er werd haar verteld hoe ze moest voelen, denken en handelen. Tekst had de kleine Vita niet. Vragen werden voor haar beantwoord; beslissingen werden voor haar genomen. Vita, die een beetje droevig werd van deze voorstelling nestelde zich nestelde zich tegen de grote bruine beer aan. Ze bedacht en schreef een nieuwe tekst voor de voorstelling en de kleine Vita kreeg daarin een glansrol. Het leek of Vita door het bedenken van deze voorstelling een beetje nieuw werd van binnen. Het leek of ze een beetje sterker werd. De kleine Vita glunderde toen ze de nieuwe tekst onder ogen kreeg.
Dat was nu precies zoals ze zich haar rol had voorgesteld. Ze bedankte Vita uitbundig en zo langzamerhand werd het tijd om een slaapplaats voor de nacht te zoeken. Vita en haar vriendinnen namen afscheid van het toneelgezelschap en zetten even later de tent op naast een rustig kabbelend beekje. Vita zocht weer lekker de vacht van de grote, bruine beer op en viel samen met het kleine zwarte hondje en Sita in een diepe, diepe slaap.
De tweede dag van de grote zoektocht brak aan. Al vroeg waren Vita en haar vriendinnen weer op weg. Vita was benieuwd of ze deze dag wéér nieuwe dingen zou vinden die haar zouden helpen om haar eigen wereld te maken.
Gelukkig was het iedere keer voor Vita duidelijk welke weg of richting ze moest kiezen. Steeds als ze op een kruispunt of driesprong kwam, was het of een innerlijke stem haar aangaf. Welke weg ze moest inslaan. Dit gaf haar een rustig, zeker gevoel en ze hoopte dat ze dit gevoel kon behouden, misschien zelfs versterken tijdens haar reis.
Na een paar uur lopen door het bos zochten ze een plekje om even te rusten. Toen ze daar net zaten, zag Vita tussen het struik gewas een man in het groen, die naar haar wenkte. Vita stond op en liep in de richting van de man. Tussen haar en de man in het groen zat een hele groep marmotten. Ze zaten in een. lange rij, vlak naast elkaar en keken haar allemaal, zonder uitzondering, heel doordringend aan. Al die ogen, die op haar gericht waren maakten haar onzeker. Wat zou ze doen? De man in het groen bleef naar haar wenken en Vita besloot toch door de rij marmotten heen te gaan en met de man mee te gaan. Bij de marmotten aangekomen vroeg Vita vriendelijk aan twee van hen een stukje op te schuiven, Er kwam geen reactie. Toen riep Vita de grote bruine beer. Deze tilde de twee onwillige marmotten een eindje opzij en Vita en de anderen konden passeren.
De man in het groen ging het gezelschap voor en het duurde niet lang of ze kwamen bij een grote open plek in het bos. Daar zaten een heleboel vrouwen, allemaal in het wit, bij elkaar. Er was muziek, er was te eten en te drinken. Er waren vrouwen die dansten. Er waren vrouwen die zongen. Toen Vita bij de open plek verscheen: kwam één van de vrouwen naar haar toe. Ze nodigde haar en haar vriendinnen uit bij het feest en Vita voelde zich er thuis. Na een tijdje nam dezelfde vrouw het woord. Het feest dat gevierd werd, zei ze, was speciaal voor haar, Vita, georganiseerd. Iemand, die op zoek. ging naar haar eigen wereld moest beseffen dat de bodem van die wereld in haar zelf lag. Dit feest, zei ze, is bedoeld om jou te laten zien en voelen dat je de moeite waard bent. Voor iedereen, die op zoek gaat naar haar eigen wereld wordt een feest als dit georganiseerd, zei ze. Om haar te stimuleren dóór te gaan met die zoektocht. Vita voelde zich warm worden van binnen na deze woorden en ze keek met plezier de kring rond. Ze voelde zich fijn met al die mensen om haar heen die er waren voor haar. Ze voelde zich gesterkt en kreeg nieuwe moed om door te gaan met haar reis. Samen met haar vriendinnen liet Vita zich het eten en drinken goed smaken. Samen met Sita danste ze op de tonen van de vrolijke muziek en ook het kleine zwarte hondje en de grote bruine beer bleken samen een sierlijk danspaar. Tot het tijd werd om op te stappen. Alle vrouwen namen hartelijk afscheid van haar en zwaaiden haar uit. Toen. Vita weer terugkwam op de plek waar de man in het groen haar opgehaald had, waren alle marmotten op één na verdwenen. Die ene marmot keek haar ook nu weer héél doordringend aan. Vita beantwoordde dit keer deze blik echter liefdevol. Door het feest dat voor haar was gehouden voelde ze zich zekerder van zichzelf en een blik van wie dan ook kon haar niet meer van haar stuk brengen.
Niet lang nadat het gezelschap weer op weg was gegaan kwamen ze bij de rand van het bos. In de verte glinsterde water van een brede rivier. Bij de oever van de rivier aangekomen zagen ze een grote zeilboot liggen. Vita wilde graag aan boord gaan en nadat ze met de anderen overlegd had, was dat ook wat ze deden en al gauw voeren ze met een zacht briesje in de zeilen de rivier af. Vita en Sita bedienden samen de zeilen en het kleine zwarte hondje en de beer waren heerlijk rustig in slaap gevallen met z’n tweeën. Na een tijdje zag Vita in de verte een stadje aan de horizon. Vita besloot hier aan te leggen. Vita en Sita lieten de twee anderen lekker doorslapen en gingen met z’n tweeën de stad in. Het stadje was oud, met veel oude straatjes en pleintjes. Ze doolden samen een uurtje rond en streken toen op een terras neer om wat te drinken. Aan het plein waar ze zaten stond een groot museum. Vita had veel zin om het museum te bekijken. Sita wilde niet en ging terug naar de boot om de anderen gezelschap te houden.
In het museum was een wonderbaarlijke collectie te zien. Alle wanden hingen vol met portretten. Het waren portretten van alle mensen, die Vita ooit in haar leven had ontmoet en gekend.
Vriendinnen, vrienden, kennissen, familie, collega’s, mensen waar ze ruzie mee gemaakt had, kinderen vroeger van school. De mensen op de portretten waren van een enorme verscheidenheid. Alle kleuren, die mensen kunnen hebben, alle soorten haar, iedere kleur ogen was erop te vinden. Vita verbaasde zich over alle verschillen, die ze op de portretten zag. Nooit had ze er bij stilgestaan, dat iedereen, die ze in haar leven had ontmoet een eigen uniek uiterlijk had. En nu ze al deze protretten zo samen zag bedacht ze, dat het uiterlijk van iedereen niet alleen uniek was, maar alles wat binnen in die mensen was, was uniek. Ieder mens had zijn eigen gedachten, ieder mens had zijn eigen wensen. De taal die iedereen sprak was hetzelfde, maar de betekenis van al die woorden was voor iedereen  weer anders. De woorden plezier en verdriet en angst hadden voor haar Vita een andere inhoud, een andere hevigheid dan voor ieder ander. Het bezoek aan de tentoonstelling deed Vita nog eens beseffen hoe belangrijk het was om zelf een heldere voorstelling te hebben van je eigen wereld. Zijzelf was de allerbeste verstaander van haar wereld. Natuurlijk was het fijn om ook de wereld van een ander te zien en begrijpen. Daar met haar over te praten, zoals het ook fijn was om de ander over jouw wereld te vertellen. Maar het was ook belangrijk om aan de ander de grenzen van jouw wereld aan te geven. Vita liep nog eens langs alle portretten. Ze zag steeds meer de schoonheid van al de verschillen. Ze besefte, dat ze tot dat moment al die verschillen in mensen wel eens beangstigend had gevonden. Ze had zich vaak afgevraagd wat bij haar paste en wat niet. Eigenlijk, begreep ze nu, was dat niet echt belangrijk. Als ze de grenzen van haar eigen wereld goed zou kennen, Kon ze met alle verschillen in mensen om gaan. Al deze gedachten maakten, dat Vita de portretten steeds mooier vond en nadat ze ze allemaal twee keer gezien had ging ze weer terug naar de zeilboot.
Iedereen was nu aan boord en de zeilen werden gehesen. De zon stond hoog aan de hemel. Na het bezoek aan het stadje was Vita moe en warm geworden. Het water van de rivier zag er heel aanlokkelijk uit. Ze had zin om een duik te nemen. Zou ze het wagen? Ze had er geen idee van hoe diep het water was en een erg geoefend zwemster was ze niet. Ook de anderen hadden wel zin ineen bad. Dus sprongen ze allemaal tegelijk het water in. Het water was heerlijk koel en er was bijna geen stroming. Door het zwemmen voelde Vita zich heerlijk vrij. De moeheid en warmte gleden van haar af en het leek of ook alle angstige en nare gedachten, die regelmatig haar geest bevolkten, uit haar wegspoelden. Na een half uurtje zwemmen voelde Vita zich helemaal schoon van binnen en van buiten en ze klom weer aan boord. Ook de anderen hadden genoten van het verfrissende bad. De zeiltocht werd weer voortgezet.
Héél in de verte, daar waar de rivier in de zee stroomde, zag Vita een vuurtoren staan. Ze besloot daar naar toe te gaan. Misschien kon ze daar overnachten en morgen nog wat genieten van zee en strand. Een klein uur varen duurde het voor de boot dit punt bereikte. Vita en Sita meerden de boot af aan het strand en gingen van boord. Op het strand brandde een groot kampvuur en daaromheen zaten allemaal vrouwen. De vrouwen zaten daar per paar. Ieder paar bestond uit een vrouw in het wit en een vrouw in het zwart. Dit waren de zusters waar de koningin in het zwart het over gehad had. Vita vroeg zich af wat deze samenkomst te betekenen had. Lang hoefde ze niet te wachten voor er ietsgebeurde. Alle paren stelden zich aan haar voor. In de namen van ieder paar waren twee menselijke eigenschappen te herkennen, die elkaars tegenpool, maar ook aanvulling waren. De vrouwen in het wit hadden de namen van eigenschappen, die positief genoemd worden: vriendelijk, vrolijk, vrijgevig, liefdevol, trouw, open, verdraagzaam, vertrouwen, evenwichtigheid, krachtig, onafhankelijk, duidelijk en vrijheidslievend. De vrouwen in het zwart hadden de naam van een eigenschap, die daar juist het tegenovergestelde van was en die negatief genoemd wordt: onvriendelijk, boos, hebberig, haatdragend, ontrouw, gesloten, onverdraagzaam, wantrouwen, onevenwichtig, zwak, afhankelijk, onduidelijk en onderdrukkend. Er waren nog veel meer paren en het schemerde Vita zwart-wit voor haar ogen. Zóveel eigenschappen had ze nog nooit bij elkaar gezien. Ze wist niet of ze al die vrouwen wel wilde leren kennen. Vooral de vrouwen in het zwart zou ze het liefst allemaal willen wegsturen, maar ze herinnerde zich de woorden van de koningin in het zwart. Toen iedereen aan haar voorgesteld was, nam één van de vrouwen het woord. De reden, dat iedereen hier nu aanwezig was, zei ze, was om aan Vita duidelijk te maken dat de eigen wereld van een mens positieve én negatieve kanten heeft. Die mens is er zelf verantwoordelijk voor , voor welke van de zusters zij kiest. Maar dan moeten die beide kanten ook echt bekend zijn aan haar. Het kiezen voor de ene zuster houdt niet in dat de andere niet bestaat of niet gewenst is. Als één van de zusters altijd wordt weggestuurd zal zij altijd proberen zichzelf te laten gelden. En dat laten gelden kan op een moment gebeuren, dat jij dat helemaal niet verwacht. De angst voor zo’n onverwacht optreden maakt, datje altijd op je hoede bent, altijd bang, dat er dingen gebeuren, waar je niet op gerekend had. En daarom kon je maar een beetje plezier hebben, een beetje verdriet en een beetje angst voelen.
Vita dacht na over deze woorden en ze herkende vooral de laatste woorden. Zij immers, had ook altijd maar een beetje plezier, een beetje verdriet en een beetje angst. Ze begon er erg naar te verlangen om voortaan heel veel plezier, heel veel verdriet en heel veel angst te voelen. Dat zou haar wereld grootser, dieper en opwinderder maken. Ze besloot om die avond met alle vrouwen,
wit én zwart in gesprek te gaan. Ze wilde ze allemaal heel goed leren kennen. Ze wilde weten wat ze bezighield, ze wilde hun wensen leren kennen en ze wilde van allemaal leren houden. De gesprekken met al de vrouwen duurden tot diep in de nacht. Het voelde heerlijk om iedereen beter te leren kennen. Heel moe, maar heel veel vriendinnen rijker liep Vita tegen middernacht naar de vuurtoren. Ze hoopte, dat daar nog iemand was, die haar, Sita, het kleine zwarte hondje en de grote bruine beer een slaapplaats kon aanbieden. Toen ze aankwam bij de vuurtoren brandde er binnen nog licht. In de deuropening stonden twee figuren hand in hand. Dichterbij gekomen herkende Vita de twee koninginnen. De één in het wit, de ánder in het zwart. Toen Vita hen genaderd was, namen ze haar tussen zich in en gingen met haar naar binnen. Daar werd ze liefdevol door hen beiden onthaald. Er was heerlijke warme wijn en het was warm en knus in de kamer. Niet lang daarna brachten ze haar en de anderen naar een kamer boven, waar zachte, warme bedden klaarstonden. Toen ze net in bed lag en de slaap zich bijna over haar ontfermde kwamen de twee koninginnen nog even boven en zeiden, dat ze trots op haar waren. Nu ze iedereen zo goed kende zou niemand haar meer willen overvallen en lastig vallen op onverwachte momenten, zeiden ze. Al die vrouwen hoorden bij haar eigen wereld en waren er voor haar als zij ze nodig had.
Het enige, dat ze moest doen was op het juiste moment voor die zuster kiezen, waar zij het meest aan dacht te hebben. Na deze woorden wensten ze haar welterusten en Vita viel in een heerlijk, rustige, diepe slaap.
Toen ze de volgende ochtend wakker werd leek dit de laatste dag te worden vanhaar zoektocht. Ze had behoefte om weer naar huis te gaan. Ze had behoefte om over alles wat ze had meegemaakt na te denken. Ze had behoefte om voortaan heel veel plezier, heel veel verdriet en heel veel angst te voelen. Toen ze beneden kwam stond er een heerlijk ontbijt voor haar klaar. Er was nog één ding wat ze héél graag wilde. Voortaan wilde ze samen wonen met Sita, het kleine zwarte hondje en de grote bruine beer. Ze voelde zich zó thuis bij hen. Over die vraag hoefden ze geen van drieën erg lang na te denken. Ze vonden dit een geweldig plan en beloofden met haar mee te gaan naar huis. Vita bedankte de twee koninginnen heel hartelijk voor de gastvrijheid en toen begon het gezelschap aan de weg terug naar huis.
De thuisreis verliep heel voorspoedig en na een dag lopen kwam Vita bij haar eigen vertrouwde huis aan. Het was heerlijk om weer haar eigen vertrouwde spullen om zich heen te hebben. Ook was het een fijn idee om voortaan al die spullen met haar vriendinnen te kunnen delen.
De zoektocht naar haar eigen wereld had Vita heel veel opgeleverd. Gesterkt en zekerder stond Vita in het leven. En wat het belangrijkste was: voortaan had Vita heel veel plezier, heel veel verdriet en heel veel angst. Dat voelde goed. Haar leven werd grootster, dieper en opwindender.
Nooit zou ze deze zwart-witte avonturen vergeten.


Juni 1991

EEN ONTMOETING IN DE LENTE.

Het is herfst. De aarde is zich aan het klaarmaken voor de winter.
De zomer. Die zich net teruggetrokken heeft, was dit jaar uitbundig aanwezig en heeft zich van haar allerbeste kant laten zien. Bloemen, vlinders, vruchten, vogels en de mensen natuurlijk ook, allemaal hebben ze volop genoten van alle warmte, al het licht dat de zon te schenken had. Veel zaadjes hebben zich diep in de grond ingegraven en zoeken daar nu de warmte, de duisternis, de beschutting die ze nodig hebben om de koude winter te kunnen trotseren. Ook het zaadje van het lelietje der dalen is nadat de bloem is uitgebloeid op de aarde gevallen en heeft zich een goed eind onder de grond ingegraven. Ze voelt zich daar goed  en zal zo warm en beschut zeker de koude winter kunnen doorkomen om in de lente tot groei te komen.
De winter is koud dat jaar, maar het zaadje van het lelietje der dalen heeft goed voor Zichzelf gezorgd en als het lente wordt ontwaakt ze uit een lange diepe winterslaap.
Ze voelt heel langzaam het leven in haar zwellen. Door de sneeuw die smelt, de regen die valt, de zon die met lentestralen de aarde begint te verwarmen voelt ze dat de tijd is gekomen, dat er grote dingen gaan gebeuren in haar leven. Langzaam voelt ze dat ze gaat groeien. Dat voelt goed, maar kost ook heel veel energie.
Tegen de tijd dat ze het aardoppervlak bereikt wordt ze plotseling gestuit in haar groei. Een dikke asfaltlaag houdt haar tegen. Het zal enorm kracht van haar vragen om hier doorheen te komen. Ze probeert gewoon door te groeien, maar het asfalt lijkt bijna ondoordringbaar. Het is taai en het lelietje der dalen betreurt het  dat ze nooit het zonlicht zal zien en de warmte van de zonnestralen op haar bloemen en bladeren zal voelen. Nog éénmaal probeert ze met een ongelooflijke krachtinspanning door het asfalt heen te dringen, Haar krachten bundelen zich op een onvoorstelbare manier. En het ongelooflijke gebeurt. Ze groeit door het asfalt heen! Begin april komt ze, gehavend en verzwakt boven de asfaltlaag uit. Het is op dat moment gelukkig mooi weer, De zon staat hoog aan de hemel en probeert met z’n stralen het lelietje der dalen nieuwe levenskracht te geven. Tijdens de nacht die volgt regent het. Het lelietje der dalen voelt door deze verkwikkende regenbui dat haar krachten nu echt weer helemaal terugkomen en na nog een week of twee goed doorgroeien staat daar een stevig lelietje der dalen mooi te zijn.
Het is eind april. Twee vrouwen gaan op weg voor een lange wandeling. Onderweg genieten ze van alles wat ze tegenkomen. Bos, hei, mooie lentebloemen, groene weilanden. De wandeltocht voert de twee langs zandpaden, over beekjes en ze genieten er volop van. Aan het eind van de dag zijn de twee vrouwen moe en warm van het lange wandelen. Ze lopen stil en een beetje uitgeblust over een lange asfaltweg. Plotseling zien ze een lelietje der dalen staan. De bloem is dwars door het asfalt heen gegroeid. Verbaasd blijven ze staan en ze vragen zich af hoe zo’n kleine bloem de kracht kon opbrengen om dóór het asfalt heen te groeien. Dit wonderlijke schouwspel geeft de twee vrouwen opeens weer een heleboel kracht. Als een lelietje der dalen zulke krachten in zichzelf kan bundelen, waartoe zullen mensen dan wel niet in staat zijn. Met hernieuwde moed beëindigen de twee hun wandeling.
Veel hebben ze geleerd van deze kleine ontmoeting met het lelietje der dalen.
Wie iets wil bereiken zal dit kunnen door haar eigen enorme krachten te benutten en door te zetten!


juni 1992.

LIEVE VITA,

Je hebt al lange tijd niets van me gehoord. Nu is er een belangrijke reden voor mij om je te schrijven. Ik wil je vertellen over de afgelopen 1 1/5 jaar. Er is in die tijd namelijk veel met mij gebeurd.
Ongeveer 1/5 jaar geleden ben ik gestart met een therapie. In het begin van deze therapie ging ik er wekelijks naar toe. Ik heb een tijdje het idee gehad, dat ik het zonder die therapie niet zou redden. In de zomer van 1991 ben ik om verschillende redenen een tijd gestopt met de therapie. Toen weer begonnen, wekelijks en sinds enkele maanden is de frequentie steeds minder geworden. En nu, half juni 1992, stop ik ermee. Overigens met wel de wetenschap in mijn achterhoofd, dat Betty, de therapeut, wel telefoon heeft en natuurlijk niet van de aardbodem is verdwenen en voor mij aanspreekbaar blijft. Na deze inleiding wil ik je vertellen over mijn wel en wee de laatste 19 jaar. Voor mij geldt deze brief als een soort afscheid van de therapie en als een inleiding op: van nu af aan ga ik het echt zelf doen. Er staat mij nog behoorlijk scherp voor ogen hoe mijn gemoedstoestand was voordat ik aan deze therapie begon. Mijn ideeënwereld en gedachtenwereld was gebouwd op absoluutheden, die mij een deel van de tijd een redelijk gevoel van zekerheid gaven. Gelijk met die zekerheid was er vaak een vaag en soms een hevig gevoel van angst aanwezig. Ik heb die angst wel lange tijd gevoeld, maar ik heb eigenlijk nooit echt de moed gehad hem onder ogen te zien. En dat is nu juist wat er ongeveer 1 1/5 jaar geleden wel gebeurde. Die onbestemde angst kreeg een gezicht en ik kon dat gezicht niet meer ontwijken. Dat gezicht was voor mij lange tijd héél angstaanjagend. Zo angstaanjagend dat het lang duurde voor ik er naar durfde te kijken. Heel langzaamaan heb ik zo nu en dan, met behulp van de therapie mijn ogen open gedaan om naar dat gezicht te kijken. Wat was het moeilijk om te accepteren, dat dat gezicht, wat ik lelijk en angstaanjagend vond, bij mij hoorde. Want dat was wat ik zag. Mijn eigen gezicht, met emoties en gedachten erin weerspiegeld, die ik helemaal niet in mezelf wilde herkennen. Jaren achter elkaar heb ik het voor elkaar gekregen gedachten zodra ze zich aandienden te verbannen. Dat lukt me niet meer. Soms vind ik het jammer, dat dat me niet meer lukt. Maar de andere kant van deze medaille is, dat onbestemde angsten geen vat meer op me hebben en dat is heel wat waard. De therapie heeft me veel geleerd. Over mezelf vooral. En over mezelf in contact met anderen. Een van de belangrijkste dingen, die ik geleerd heb is de noodzaak om met alle kanten in mezelf om te gaan. De positieve, de kanten die ik graag zie van mezelf; maar ook de negatieve kanten. Ik kan je verzekeren, Vita, dat alleen al het feit om voor mezelf te erkennen, dat die kanten er zijn voor mij een winstpunt van de therapie is. Niet alleen het erkennen van al die kanten in mezelf vond (en vind ik vaak nog) een opgaaf. Het gevoel te hebben zelf verantwoordelijk te zijn voor al die kanten in mezelf vind ik zo mogelijk nog moeilijker. Op een af andere manier heb ik altijd het idee gehad, dat ik mijzelf overkwam als je begrijpt wat ik bedoel. Wat er in mij opkwam, wat er met mij gebeurde, wat er niet met mij gebeurde, de gevoelens de emoties. Ik ontving alles en probeerde ermee te leven. Dat idee ben ik kwijt en ik voel nu mijn eigen verantwoordelijkheid voor mijn leven. Dit gevoel van verantwoordelijkheid kan mij een heerlijk ontspannen gevoel geven; ik krijg het dan voor elkaar om een vorm van evenwicht in mezelf te bewerkstelligen waarbij alles in mezelf op die plek lijkt te zitten waar het hoort. Dat zijn de momenten van het grote vertrouwen in mezelf, de momenten van de open blik naar buiten. Dat gevoel van verantwoordelijkheid kan me ook verstikkende momenten bezorgen. Het kan me een gevoel bezorgen van uit elkaar getrokken te worden. Een gevoel van een groot wantrouwen in mezelf en daarmee in alles en iedereen om me heen. Deze pool vind ik nog wel eens moeilijk om te bewandelen, maar ondanks dat ben ik er niet echt bang meer voor (meestal) en durf ik mijn ogen open te houden. Als ik terugkijk naar de therapie dan heeft dat ‘verantwoordelijkheidsgevoel’ de grootste verandering teweeg gebracht in mezelf. Naar mijn gevoel heeft het me ook een boel onzekerheid opgeleverd. Onzekerheid die ik niet zonder meer opgelost wil hebben. Nee, ik wil met die onzekerheid in vrede leven. Ik merk, dat ik eigenlijk nog steeds op zoek ben naar absoluutheden. Voorlopig stel ik mijzelf als grootste opdracht om dat zoeken naar absoluutheden echt te durven loslaten en met een dosis onzekerheid te durven leven. Ik voorvoel dat dat waarschijnlijk een levenslange weg zal zijn. Maar ik weet zeker dat als ik dat gevoel vrede te hebben met mijn eigen onzekerheid steeds meer te pakken kan krijgen, ik veel vaker dat prettige gevoel zal kunnen ervaren met mijzelf samen te vallen. Ik wil proberen nog een beetje beter te omschrijven wat dat gevoel van vrede hebben met eigen onzekerheden inhoudt. Voor mij betekent het in vrede samen te kunnen leven met gedachten in mezelf die ik tot nu toe als wezensvreemd heb ervaren in mezelf. Ze zijn niet wezensvreemd. Ze zijn van mij en daarom waard om in ieder geval aandacht aan te schenken en me ermee bezig te houden. Ook gedachten willen aandacht. Het zijn net mensen! En ook gedachten zijn vrij. Net als mensen. Niet alleen het onderkennen van alle kanten in mezelf was een belangrijk thema in de therapie. We gingen verder. We hebben veel gepraat over het in contact gaan en blijven met al die kanten. Vooral over het in contact gaan met de zwarte kanten in mezelf. En nu eindelijk na al die tijd kan ik zeggen dat het erop lijkt dat mijn min of meer ‘natuurlijke’ reactie van weglopen voor die kanten is veranderd in een houding van: laten we er eens voor gaan zitten en kijken waar al deze somberheid en zwartigheid vandaan komt en vooral, laten we eens kijken wat we kunnen doen om er verandering in te brengen. In de loop van de tijd hebben we het nog over veel méér gehad. Eén van de onderwerpen waar ik veel aan gehad heb was het praten over de relatie met mijn moeder. Daar is veel over gezegd, daar heb ik veel over gehuild. Naar mijn idee heeft het me ook veel opgeleverd. Namelijk een meer onafhankelijke relatie. Ik voel me vrijer en losser ten opzichte van mijn moeder. Al deze opbrengsten van de therapie zijn het resultaat van de ondersteuning van en samenwerking met de therapeut. Betty heeft me veel de weg gewezen. Ze heeft veel vragen gesteld; tijden lang heel veel dezelfde vragen. Waarom? Omdat ik het antwoord iedere keer weer vergat. Ik vond dat een hele goede methode. Vragen stellen en ik moest zelf naar het antwoord zoeken. Dat heeft mij het gevoel gegeven, dat ik uiteindelijk toch zelf de weg naar mijn eigen oplossingen heb gevonden en dat maakt, denk ik, dat ik voortaan ook zelf naar mijn eigen oplossingen zal blijven zoeken. Eén van de dingen, die ik me van Betty ten alle tijde zal herinneren is het grote vertrouwen dat ze in mij had en naar mij altijd uitstraalde. Dat heeft me goed gedaan en dat zal ik missen. Nu stop ik er dus mee. Met de therapie. Dat geeft me wel een goed gevoel en dat niet alleen. Dat geeft me ook een gevoel van: lekker, ik ben er van af, rust. Maar ik voel me er ook verdrietig door. Ik ga een vast aanspreekpunt missen. Een aanspreekpunt waar ik altijd op kon vertrouwen. Voordat ik met deze brief stop wil ik voor jou Vita, maar ook voor mezelf nog een keer kort op een rijtje zetten wat ik voor mij belangrijk vind om op te blijven letten en hoe ik dat zou kunnen doen; als geheugensteuntje. Ik wil mijn eigen innerlijke vrijheid steeds beter gaan hanteren. Ik wil daarin keuzes blijven maken en ik wil daarin niet mijn eigen verantwoordelijkheid uit de weg gaan. -Ik wil mijn eigen grenzen steeds beter leren kennen en aangeven, vooral in het contact met anderen. Ik wil dus proberen altijd goed bij mezelf te blijven, ook en vooral in het contact met anderen. -Ik wil de ontwikkelingen, die ik in mezelf voel met open ogen blijven volgen en sturen. -Ik wil contact blijven houden en maken met alle aspecten in mezelf. -Ik wil het instrument van het schrijven over alles wat me bezighoudt, dat voor mij een grote waarde heeft en me helpt dingen te verwoorden, blijven gebruiken. -Ik wil in mijn achterhoofd houden dat Betty er is om naar terug te gaan. Om weer de gelegenheid te hebben na te denken over haar vragen en om weer het vertrouwen te voelen.

Dit was het.

Liefs,


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s