Verzameling 1
Een blog met korte verhalen met gebruikmaking van foto´s uit mijn eigen fotoverzameling. Allerlei onderwerpen, verschillende mensen, diverse tijden. Een beetje waargebeurd of grotendeels verzonnen. Alles is mogelijk. Een verzameling verhalentaartjes met allerlei smaken.
Inhoud:
- Kerstmis 1955
- Verbondenheid
- Roeping
- Winter in de achtertuin.
- Het hondje van Anna Maria Dunlop-Mikkers.
- Een misgelopen huwelijk.
- Skiën, Kellerbar, vallen en opstaan.
1. Kerstmis 1955.
1955 eind november wordt kleine Guus in de Mariastichting in Haarlem geboren. Hij is de zoon van Sam en Auk.
Sam en Auk hebben al vier kinderen, Sam, Bram Caroline en Heldine. Samen met die vier kinderen zijn Sam en Auk op 17 april 1954 tijdens de paasnacht in de Kathedrale basiliek van Haarlem allemaal samen katholiek gedoopt.
Als kleine Guus in november 1955, 27 november om precies te zijn, wordt geboren ondergaat hij natuurlijk vrij snel na zijn geboorte het katholieke doopsel.

Een maand later is het kerstmis.
1954 was natuurlijk al de eerste katholieke kerst die wij samen vierden. Niet alleen het kindje Jezus vierde op die dag zijn verjaardag, óók mijn vader Sam was op 25 december geboren, op 25 december 1908 in Batavia om precies te zijn.
Er waren een paar vaste punten die op eerste kerstdag een aantal jaren lang tot het avondprogramma behoorden. Het begon natuurlijk met het verjaardags- kerstdiner.
Vervolgens werd het kerstverhaal uit het Matheus evangelie voorgelezen, waar ook wordt verteld over de drie koningen die na het zien van de ster en de engel op weg gaan om Jezus te gaan bezoeken en geschenken aan te bieden in Bethlehem. Mijn ouders hadden een prachtige kerstgroep gekocht, gemaakt door de Haarlemse kunstenaar Frans Balendong.
Bij deze kerstgroep behoorden ook de drie koningen. Mijn vader had daar een mooi ritueel voor bedacht . Vanaf eerste kerstdag gingen de drie koningen op stap naar Jezus. Zij weren opgesteld in de ‘Salon’. Ieder dag werden zij een stuk verplaatst. Op 6 januari, Driekoningen’ kwamen zij aan bij jezus in de kribbe. Daar werden natuurlijk geschenken aangeboden. Wierook, goud en Mirre.

De kerstgroep was in 1954 voor het eerst opgesteld door mijn vader en ook in 1955 werd er met behulp van een kartonnen doos, kunstmos en kersttakken door mijn vader een prachtig kerststal opgebouwd met Maria, Josef, de herders, de os en de ezel, schaapjes en honden. Het kindje Jezus in de kribbe en de engel boven de stal met een spandoek ‘Gloria in excelcis Deo’. Adembenemend om naar te kijken.
De drie koningen in de hoek van de salon stonden al klaar om op stap te gaan.
Omdat kleine Guus een maand oud was bij die kerstmisviering in 1955 hadden mijn ouders bedacht dat wij, de kinderen, die bijzondere kerstdag zouden opfleuren met een levende kerstgroep met kleine Guus als stralend middelpunt in de kribbe.
De verkleed kist op zolder werd geïnspecteerd en daar kwamen twee mooie kostuums voor Jozef en Maria uit. Er werden vervolgens twee oude dekens gevonden die als mantels voor de herders konden dienen. En als hoofddeksel voor deze twee herders kwamen er nog twee prachtige sjerpen boven water.
De avond van eerste kerstdag was aangebroken en wij genoten van een heerlijk kerstdiner annex verjaarjaardagsmaal, want mijn vader was zoals al eerder vermeld een kerstkind en geboren op 25 december 1908. Het diner was door mijn ouders bereid.
Na het eten werd, net als het jaar daarvoor het Matheus evangelie voorgelezen én nog een prachtig kersverhaal uit een bundel met kerstverhalen.
Daarna mocht Guus op de arm van zijn vader zich vergapen bij de kerststal, natuurlijk óók om hem voor te bereiden op zijn rol als Jezus in de kribbe. De andere kinderen werden in de diverse kleren gehesen. Aan mijn oudste broer Sam was natuurlijk de rol van Jozef toebedeeld. Mijn zus Caroline werd de jonge moeder van God Maria en mijn broer Bram en ik mochten de dekens omslaan en kregen de mooie sjerpen die opeens tulbanden werden op ons hoofd gedrapeerd en figureerden als twee herders.
Als klap op de vuurpijl mocht kleine Guus natuurlijk als Jezus in de als kribbe omgetoverde bak van de kinderwagen plaatsnemen en dan zou dit tafereel op de foto gezet worden. Helaas… Guus was niet gecharmeerd van het feit dat hij opeens als de goddelijke Jezus in de kribbe moest liggen. Hij krijste de hele boel bij elkaar en werd weer uit de kribbe gegrist en mocht toekijken op de arm van zijn moeder en was dan ook meteen stil.
Natuurlijk werd de foto toch gemaakt en lijkt het of wij allemaal vol aanbidding op de Here Jezus neerkijken.
Al met al een bijzondere kerst!


Om het verhaal te beëindigen hierbij nog een nostalgisch plaatje van een mooi kerkje dat in die jaren altijd tijdens de kerstdagen in de kamer stond.
Het kerkje is nog steeds in mijn bezit en fleurt ook nu nog die dagen op.

Over het leven van mijn vader in deze heb ik een blog geschreven:
2. Verbondenheid.

Als ik aan verbondenheid denk…. dan is dit een foto die laat zien hoe dat er voor mij uit ziet…. verbondenheid…. drie mensen op dit plaatje. Mijn vader, ikzelf en mijn kleine broertje Guus.
Wanneer? Het zal rond 1958 zijn. Wij zitten gedrieën in het vuur te staren. Een vuurtje dat brandde in een buitenhaard in Oisterwijk. Wij zijn daar met het gezin op vakantie. Mijn ouders hebben daar een huisje gehuurd.
Mijn vader Sam, werd in 1908 in Batavia geboren. (Batavia heet al sinds 1942 Jakarta en is sinds 1949 hoofdstad van Indonesië)
Ik werd als enige andere lid van ons gezin óók in Nederlands-Indië geboren. Dat was op 2 december 1947 en de geboorteplaats was Soerabaja. Daar verbleven mijn ouders op dat moment. Mijn twee grote broers en mijn zus, die allemaal ouder waren als ik waren in Nederland geboren. Mijn vader was in 1945 alleen, zonder zijn vrouw en kinderen, naar Nederlands-Indië gegaan. De Japanners waren in 1945 verslagen en Nederland wilde het gezag in Nederlands-Indië herstellen.
Mijn moeder is met 3 kinderen vanuit Nederland in september naar Nederlands-Indië vertrokken.
In 1950, om precies te zijn in september van dat jaar vertrekken wij allen tezamen naar Nederland. Als wij na die reis in Nederland aankomen is dat voor mij de eerste keer dat ik voet aan wal zet in dat land.
Het feit dat mijn geboortegrond in Indonesië te vinden was en dat dat ook de geboortegrond van mijn vader is heeft in mijn beleving meegeholpen aan de speciale band die ik met mijn vader voelde. In het binnenste van mijn vader kon en kan ik niet kijken, maar zolang als ik hem heb meegemaakt, dat is 29 jaar heb ik het gevoel gehad dat hij en ik een speciale band hadden.
En daar staat deze foto voor. Al starend in het vuur zitten wij hand in hand te genieten van de vlammetjes en de warmte. Kleine Guus warmt zich ook aan het vuur én aan ons. Hij raakt de arm van zijn vader aan en geniet mee.
Over de jaren 1945-1950, toen mijn vader weer terugging naar Indië heb ik een blog geschreven:
3. Roeping.

Van 1960 – 1963 zat ik op een internaat in het diepe zuiden van Nederland. In Vaals was een klooster te vinden waar zich de nonnen van Sacré Coeur ophielden. Een Franse orde die over de hele wereld internaten bestierden.
Dit internaatsleven werd mij niet opgelegd…. het was op mijn eigen verzoek dat ik voor enige jaren het ouderlijk huis mocht verlaten en de eerste klassen van de middelbare school daar in het zuiden mocht gaan bijwonen.
Waarom ik die wens had geuit daar heb ik wel zo mijn eigen gedachten over, maar die zijn voor dit verhaal niet relevant.In 1954 was het gehele gezin, mijn ouders, mijn oudere broers en zus en ik opeens allemaal samen katholiek geworden. In de paasnacht van dat jaar. Ten gevolge van die beslissing moest mijn kostschoolleven zich dus op een R.K. school gaan afspelen.
Op zich waren mijn ouders niet zo thuis in de spreiding en de mogelijkheden van katholieke internaten in Nederland. Dus daar moest wel enig onderzoek naar gedaan worden. En uiteindelijk viel de keus dus op Sacré Coeur in Vaals. Toen de keus gemaakt was en ik werd aangemeld aldaar, duurde het enige tijd voordat er enige reactie kwam. Want zoals mijn ouders niet zo op de hoogte waren van het katholieke internaat veld, zo was de uitgekozen school ook niet op de hoogte van het katholieke gehalte van de Dunlop familie. Die naam kwam in de katholieke analen helemaal niet voor, dus ook de school moest enig onderzoek doen.
Uiteindelijk kwam het ervan . September 1960 werd ik vanuit Haarlem naar Sacré Coeur in Vaals gebracht.
Wat een leuke tijd had ik daar!
Er was echter één ding waar ik nogal bang voor was. In de verhalen over katholiek zijn kwam er één ding voor waar ik zeer bevreesd voor was. En dat was het feit dat het kennelijk zomaar zou kunnen gebeuren dat je als katholiek meisje opeens met een ROEPING te maken zou kunnen krijgen. Ik ben die drie jaren op de kostschool echt bang geweest dat ik ‘geroepen’ zou worden om verder als non door het leven te gaan. Ik had wel begrepen dat als je dat overkwam je dat als een voorrecht moest zien en daar geen nee op kon zeggen. Maar…..het leek mij verschrikkelijk en angstaanjagend om de rest van je leven als non door het leven zou moeten gaan. Ik was duizend maal liever leerling op de kostschool dan kloosternon die de scepter zwaaide over de leerlingen.
Gelukkig ben ik niet ‘geroepen’. Na drie jaar ging ik in Haarlem naar een niet katholieke middelbare school en was opeens de angst om met een roeping geconfronteerd te worden ook als sneeuw voor de zon verdwenen.
De foto bij dit verhaal moet nog even toegelicht worden. Of eigenlijk zijn het twee foto’s.
Een mère die ons tijdens het buitenspelen in de gaten houdt en een foto genomen toen ik in de tweede klas zat. Niet speciaal genomen in verband met een roeping, maar iedere keer als ik die foto zie moet ik terugdenken aan die angst voor een roeping en vind ik hem toch sprekend om te laten zien dat ik een eventuele roeping graag zou willen bezweren.
Over mijn kostschooltijd heb ik een blog geschreven:
4. Winter in de achtertuin.
Sleetje rijden in de achtertuin van het Wilhelminapark in Haarlem
Toen ik aan het Wilhelminapark woonde in Haarlem hadden wij een redelijk grote achtertuin.
Daar werd het natuurlijk wel eens winter. Vaker dan nu trouwens. Toen waren er nog echte winters. De tuin was, zeker voor een stadstuin van een behoorlijk afmeting. Ik denk wel zo’n 40 meter lang en breed.
Achter het huis tegels en een terras en toen we er in het begin woonden was er een klein heuveltje naar beneden. In de tuin een aantal fruitbomen. Later, na een verbouwing, werd het heuveltje vervangen door een muurtje en een trappetje. Maar gelukkig heb ik het heuveltjestijdperk nog meegemaakt!

En nu over die winter. Als het gesneeuwd had was de tuin natuurlijk ook wit. Wij hadden zo’n mooie houten slee, of misschien wel twee en daar sleeden we dan dat heuveltje mee af. Heel erg veel vaart had je natuurlijk niet, het was maar een klein heuveltje, maar… als je een klein aanloopje nam kon je toch een aardig eindje de tuin inkomen.
Erg leuk om te doen.
Mijn moeder, een keurige dame in het gewone doen, had nog nooit op dat sleetje gezeten. Ik kon me daar ook vast niets bij voorstellen dat dat misschien wel eens ging gebeuren.
Maar… op een dag gebeurde het toch. Jammer is dat ik niet meer weet hoe mijn moeder gekleed ging die dag. Had ze een lekkere warme lange broek aan of ging ze gekleed in een jurk. Ik denk dat laatste. In die tijd, ik heb het hier over midden jaren 50 hadden keurige dames eigenlijk nooit een lange broek aan.
In ieder geval…. op een winterse dag, de tuin was besneeuwd nam mijn moeder plaats op de slee, zij zat erop en ik denk dat één van mijn broers haar tot het heuveltje duwde en toen een zetje gaf. Daar ging ze…. rechttoe, rechtaan af op één van de appelbomen af en ze kwam tot stilstand toen ze daar hardhandig mee in aanraking kwam. Of zij ‘au’ riep of misschien een echte krachtterm… ik weet het helaas niet meer. Ze had gelukkig geen ernstige kwetsuren opgelopen. Na de botsing met de boom was zij wel van de slee afgevallen, dus zij moest weer omhoog zien te komen. Zij zal vast met enige ondersteuning het huis zijn ingelopen. Helaas, het vervolg van dit ongeluk staat mij niet echt meer voor de geest. Het enige dat ik mij nog wel haarscherp kan herinneren is het feit dat zij de volgende dag aan één kant werkelijk helemaal bont en blauw was. Overdag zag je natuurlijk alleen haar armen en benen, althans als ze even mouwen en jurk ophief. Als je haar echter in nachtjapon in de slaapkamer trof was haar hele zijkant blauw. Dat moet toch wel een buitengewoon pijnlijke aangelegenheid geweest zijn.
Natuurlijk is dit voorval tijdens de familieverhalen regelmatig naar voren gekomen en werd er dan smakelijk om gelachen. Op het moment dat het gebeurde was dat uiteraard niet het geval. Toen viel er even niets te lachen.
Voor zover ik mij herinner is een ritje op de slee door mijn moeder bij deze ene keer gebleven.
5. Het hondje van Anna Maria Dunlop-Mikkers.

Anna-Maria Mikkers is mijn overgrootmoeder.
Zij trouwt op 31 juli 1880 met Eduard Willem Dunlop. Het huwelijk vindt plaats in Batavia. Anna Maria en Eduard krijgen 3 zonen, Oudste zoon Eduard Willem is mijn grootvader. Hij wordt in 1881 geboren.
Daarna volgen nog twee zonen, Samuel Johannes Cornelis, roepnaam Sam en Gustaaf Abram, roepnaam Bram. Helaas overlijdt echtgenoot Eduard Willem op jonge leeftijd. Hij krijgt een hartaanval en overlijdt in 1890, hij is dan 37 jaar.
Anna Maria vertrekt vrij kort daarna met haar drie zonen naar Nederland. Haar eerste woonplaats is Nijmegen.
Mét haar zoontjes Eddy, Sam en Bram woont ze tot 1898 in Nijmegen. De jongens gaan naar school, Anna Maria heeft het natuurlijk druk met de opvoeding. Ook is ze zeer betrokken bij de handelsonderneming Dunlop & Co in Nederlands -Indië, die door haar echtgenoot Eduard Willem was opgericht. De jongens gaan naar school in Nijmegen, zij regelt het voogdijschap voor hen en ze houdt zich bezig met Toynbee werk
In huize Dunlop in Nijmegen is ook een hondje. Helaas vertelt de overlevering niet hoe het hondje heette.
Op een zeker moment gaat Anna Maria met haar drie zonen naar de fotograaf in Nijmegen.
Daar gaan de drie zonen samen op de foto.
Wie ook op de foto mag is het hondje. De foto van de hond is bij een andere fotograaf in Nijmegen gemaakt.
De hond mag zitten op een grote met zware stof bekleedde stoel en ziet eruit of dat iedere dag de gewoonte is. Óók ziet de hond eruit of er van haar/hem gehouden wordt en onderdeel van de familie is. Fijn om te zien…. zo zagen de honden die wij thuis hadden, toen ik nog thuis woonde, er óók uit.
Anna Maria’s zoon Eddy, die veel later dus mijn grootvader werd en de vader van mijn vader was, was zelf ook een groot hondenliefhebber.
En ikzelf…. ben mijn hele leven al een hondenmens…. Het zit in de familie!
Over Anna Maria Mikkers heb ik twee blogs geschreven:
Over mijn liefde voor honden en andere beesten heb ik een blog geschreven:
6. Een misgelopen huwelijk.

2002 is het. Ik werk nog volop op de bibliotheek van Nijmegen en doe dat op dat moment al 21 jaar.
In 21 jaar leer je natuurlijk allerlei mensen kennen en met de een ga je wat intensiever om dan met de ander.
Onlangs vond ik op mijn laptop bij een map met allerlei brieven een brief aan een collega, Dory heette ze. Aan de inhoud van de brief had ik eigenlijk helemaal geen herinnering. Maar na lezing stond mij het voorval toch weer helder voor de geest. En schoot ik om het hilarische voorval wat erin beschreven stond in de lach.
De brief ging over het huwelijk van Dory die in juli 2002 in het huwelijk zou treden met ene Patrick. Ik was uitgenodigd om bij het huwelijk aanwezig te zullen zijn, althans bij de kerkelijke inzegening.
Maar wat bleek…. Ik ben op die huwelijksdag op weg gegaan naar Alverna, waar in de kerk de ceremonie plaats zou vinden. Ik kwam, iets te laat in de kerk aan en maakte na een hilarisch misverstand dat ik weer snel uit die kerk kwam.
In dit fragment van de brief wordt onthuld wat er gebeurde er waarom ik weer schielijk de kerk uitvluchtte:

Ik had natuurlijkje een cadeautje bij me voor het jonge paar, maar nam dat onverrichterzake weer mee naar huis.
Dat kwam gelukkig op een later tijdstip wel weer goed, want dat ben ik later nog gaan brengen.
Geen foto dus van het paar, maar een die enige tijd voor het huwelijk genomen is.
Ik bracht met Dory en tevens collega Yvonne een bezoekje aan een plek waar je heerlijk kon lunchen. Gelegen in een tuin met een mooie kas met kleurige bloemen erbij.
7. Skiën, Kellerbar, vallen en opstaan.

Op ski vakantie ben ik zo rond de 10 keer geweest in mijn leven. De eerste keer was in 1969 in de Hoge Tatra. De hoge Tatra is een gebergte op de grens van Slowakije en Polen. Hoe het zo kwam dat ik daar verzeild was geraakt wordt beschreven in dit blog:
Na dit uitstapje en nadat het avontuur met de beschreven Jan uit het bovenstaande blog tot een einde was gekomen ben ik voor de tweede maal op Wintersport geweest in Oostenrijk met een busreis van de NBBS.
In 1972 ‘ging es los’ met vriendin Lenie. Die kende ik nog niet zo lang en wij reiseden af naar Lermoos in Tirol in Oostenrijk. Uiteraard bedreven wij daar de skisport én… wij ontdekten de ‘Kellerbar’, in vele hotels daar in het Tirolerland een bekend verschijnsel.
De naam zegt het al… de kellerbar bevond zich ónder het hotel dn daar was het eigenlijk iedere avond feest.
Er werd natuurlijk het een en ander aan alcoholica genuttigd én er was een dansvloer.
Wat mij nog zeer duidelijk in het geheugen gegrift staat is één liedje dat regelmatig gedraaid werd en waar ik, Lenie had daar niet zo’n last van, iedere avond weer behoorlijk van uit mijn dak ging:
Een jaar later gingen Lenie nog eens op wintersport. Toen hadden wij Gerlos uitgekozen, óók in Tirol. Ongetwijfeld zal er ook in het hotel waar wij toen verbleven een Kellerbar geweest zijn en daar zullen wij natuurlijk wel eens naartoe gegaan zijn , maar herinneringen zoals toen aan “Be my day’ staan mij niet bij.
In 1978 ging ik nog ’s op Wintersport, dat keer met Elke. Elke kende ik al heel lang. Zij woonde vroeger in Haarlem, haar moeder was een vriendin van mijn ouders en zij was een Oostenrijkse. Dat had tot gevolg dat Elke met een Oostenrijker trouwde en sindsdien in Wenen woonde. Met haar en haar twee kinderen en een vriendin van Elke uit Wenen ging ik naar het wintersportgebied van Hinterglemm en ook dat lag in Tirol.
Een jaar later wederom naar Oostrenrijk met een collega, haar echtgenoot en een aantal zweefvliegvrienden. Ik weet niet eens meer precies waar wij geweest zijn, maar daar was het wel vaak weer feest en een beetje ruig.
Weer een jaar later reisde ik met mijn jongste broer en twee vriendinnen naar een skigebied in Frankrijk.
De rest van de skivakanties laat ik hier onbesproken met uitzondering van .e.en. Dat was in 1985 en ik was op stap met een collega van de bibliotheek Nijmegen. Niet zo zeer een hele dikke vriendin, maar wij zaten beide in de staf van de bibliotheek en hielden allebei van skiën. Ik ging ’s avonds nogal eens alleen op stap en vierde dan uitgebreid feest.
De laatste keer dat ik op wintersport ging was in 2008. Met familie in Fiebderbrunn. Mijn oudste broer Sam met vrouw en kinderen en met jongste broer Guus en vriendin Hilga. Daar besloot ik dat dit voor mij de laatste keer zou zijn. Al die sneeuwvakanties die ik had meegemaakt was ik altijd een vallerd geweest, dat was ook het geval ald ik niet skiede en ook tijdens deze vakantie kwam het regelmatig voor dat ik viel. Het probleem echter was… dat ik zo moeizaam weer kon opstaan en dat maakte dat ik het skiën daarna aan de wilgen hing en mijn vertier op andere manieren zocht.
